Achtergrond geschiedenis van de Carnaval

1. Inleidend
Wanneer men ergens het woord carnaval laat vallen, weet omzeggens iedereen meteen waarover het gaat. Tenminste hetgeen het woord “carnaval” binnen ons dagelijks gebruik te betekenen heeft.

Er zijn er daarentegen slechts weinig die enig idee hebben omtrent de precieze betekenis van dit jaarlijks terugkerend volksfeest, hetzij aangaande de oorsprong ervan, of hetgeen er zich eigenlijk allemaal achter de coulissen van dit feestelijk gebeuren afspeelt.

In deze rubriek trachten wij enerzijds een bondige verklaring te geven omtrent een aantal begrippen, uitdrukkingen, gebruiken, of woorden die je vrij regelmatig in het carnavalsgebeuren kan tegenkomen, en anderzijds een beperkte omschrijving te geven omtrent de organisatorische motor achter dit fenomeen.

De samenstelling ervan gebeurde dank zij de medewerking van de Heer Theo Franssen uit Venlo, een groot carnavalskenner, en tevens auteur van meerdere werken over carnaval. Werken die wij met zijn toestemming hebben mogen raadplegen, waarvoor we hem erg dankbaar zijn.

Wij zijn er ons evenwel bewust van dat de hierna volgende lijst niet volledig is, en dat wij beslist een aantal begrippen of plaatselijke gebruiken, uit pure onwetendheid, niet vermeld hebben. Wij zouden het derhalve op prijs stellen dat men ons hieromtrent zou informeren, teneinde ons toe te laten dit toch wel boeiende vademecum verder te vervolledigen. Een vademecum waarin het verschijnsel carnaval voor zowel de georganiseerde carnavalist als de gewone man uit de straat, die carnaval misschien op een passieve wijze ondergaat, ongetwijfeld heel wat boeiend leesgenot zullen vinden.

2. Oorsprong
Van oudsher was het een eetfestijn, omdat het de laatste mogelijkheid was zich te buiten te gaan voor de 40 dagen vasten, waarin men zich beperkte tot het minimaal noodzakelijke. De vasten is ter herdenking van de 40 dagen die Jezus volgens het Nieuwe Testament in de woestijn vastte en tevens ook tot bezinning op de christelijke kernwaarden.

Waarschijnlijk bestond het feest al langer dan de christelijke traditie, en heeft de kerk het gemakkelijker gevonden het heidense carnaval in een katholieke traditie om te zetten dan het uit te bannen. Dit was overigens ook met andere voorchristelijke feesten gebeurd zoals Kerstmis dat oorspronkelijk een ‘heidens’ midwinterfeest was. In die betekenis wordt de term afgeleid van het Latijn: carne vale (= vaarwel aan het vlees). Een andere mogelijke verklaring voor de term is het eveneens Latijnse carrus navalis: scheepswagen, hetgeen zou verwijzen naar rondtrekkende groepen in een als een schip ogende wagen of kar, het zogenaamde narrenschip, maar ook kan slaan op het schip waarmee de god van de zee der Kelten/Germanen uit het noorden kwam om deel te nemen aan de winterfeesten.

De Romeinen vierden het feest van de saturnalia dat veel kenmerken van het hedendaagse carnaval had zoals drink en eetgelagen, een soort prins carnaval, vermommingen en optochten door de straten. Het ‘heidense’ carnaval werd in heel Europa gevierd. Bijvoorbeeld in Rusland is dit feest bekend onder de naam maslenitsa (vrij vertaald: boterfeest). Antropologisch gezien is het carnaval een omkeringsritueel, waarin maatschappelijke rollen worden omgedraaid en normen omtrent gewenst gedrag worden opgeschort.

3. Alaaf
Het is uiteraard een groet, doch er bestaan tal van verklaringen voor.
De taalkundige structuur van het woord elf vertoont een verrassende overeenkomst met het in het carnavalsjargon zo centraal staande woord “alaaf”. Er moeten dus ergens tussen beiden een verband bestaan.

De minst bekende, doch daarentegen de meest ernstige, gaat terug naar allerlei uitdrukkingen in het Middelnederlands, zoals “Al hebbe se mi nit helpe willen, Allaf (all ave) Jupp, die sprong gelik bei”. Kortom de positieve uitzondering op een negatieve regel. Het woord als af-(ave) God en averechts wijzen in dezelfde richting. Alaaf Kölle betekent: het mag dan elders niet alles zijn, maar in Keulen is het goed toeven (met carnaval).

Alaaf betekent in het Joods overigens “eerste”. Allaf Keulen betekent in voorkomend geval dus “er gaat niets boven Keulen”. Keulen komt op de “eerste plaats” (De Israëlische legeraanvoerder heet trouwens “aluv”).

Het verschil tussen de woorden Alaaf, Helau (de groet uit Mainz) en zelfs ons normale Hallo zijn miniem en betekenen omzeggens hetzelfde. In de eerste plaats wordt de “h” in tal van talen niet uitgesproken en de “f” en “u” gaan gemakkelijk in elkaar over.

4. Carnavalschlager
Carnaval is ondenkbaar zonder eigen schlagers en zonder muziek.

Ze zijn een uitingsvorm van de eigen cultuur, de eigen leefstijl, in het “anders maatschappelijk” milieu, omdat in de carnavalstijd de normale cultuur gerelativeerd wordt. Carnavalsmuziek is dus ook sterk seizoensgebonden.

Het carnavalslied is een cultuuruiting bij uitstek, een ventiel van creativiteit voor velen. Het lied is vrijwel altijd het resultaat van een flistende inval en daarna van een lang rijpinsgproces, want men wil tenminste een lied maken voor één jaar, een volkslied tijdens de regeringsperiode van de prins, liefst geen eendagsvlieg, maar wel een “evergreen”.

Inhoudelijk is een canavalschlager vaak weemoedig en zelfs chauvinistisch. Hij kan bijvoorbeeld een uiting van trots zijn op het eigen dorp, de eigen stad of streek, van lokaal patriottisme een lofzang op de eigen plaats, derhalve in het eigen plaatselijke dialect.
Maar het kan ook een zich afzetten zijn tegen identiteitsverlies en vervreemding, tegen veranderingen die de eigenheid aantasten, tegen schaalvergroting en opgaan in de massa.

Het is dan ook geen wonder dat de plaatsnaam, of de naam van de prins of de groepering, vaak in de tekst van een carnavalschlager voorkomen.
Een spijtige vaststelling is evenwel het feit dat als maar minder plaatselijke carnavalschlagers worden gemaakt. De opnamekosten wegen vaak niet meer op tegen inkomsten uit verkoop, maar bovendien, en dat is ook een vaststelling, moeten onze plaatselijke in het dialect uitgevoerde carnavalschlagers, het vaak afleggen tegen de puur commerciële muziek, die door de radiostations met alle middelen wordt gepromoot.

De plaatselijke carnavalschlagers krijgen bovendien vanuit deze hoek weinig of geen steun of promotiekansen, en worden letterlijk en figuurlijk van de draaitafel gespeeld door “De worstjes op mijn borstjes”, “Het paard in de gang”, enz…

In Belgisch-Limburg bestaat er initiatief dat zich Carnavalissima noemt, en waar jaarlijks een klein aantal verenigingen onder de vorm van een wedstrijd, hun carnavalschlager komen voorstellen. De deelnemende nummers worden vervolgens op een verzamel-CD gezet.

Daarnaast zijn er in het Belgisch-Limburgse Maasland enkele verenigingen die jaarlijks de CD “Vastenoavend aan de Maaskant” met vrij veel succes op de markt brengen. Ook in Aalst wordt carnavalmuziek jaarlijks op een CD gezet.

5. Carnavalsgroet
In het Duitse Rijnland had men het niet zo erg begrepen op de Pruisen met hun sterke militaristische drang. Als vervorming (parodie) bedacht men een alternatieve groet. Niet met de rechterhand tegen de rechtersslaap, zoals gebruikelijk. Neen, met de top van de rechterhand naar de linkerslaap. Dus een duidelijke parodie op “das Militär”.

6. Carnavalsviering
De carnavalsviering is één grote aanwijzing voor het ontdekken van datgene, waarin de mens zich bewust of onbewust te kort gedaan voelt.
De carnaval is de verklikker van het menselijk tekort, de onbewuste getuige van het menselijk streven, dat – zoals een Duits carnavalspamflet het uitdrukt – “mal nur Mensch sein”. Men zou zeggen, een bescheiden verlangen. De feitelijkheid wijst anders uit. Het betekent een verlangen naar een gemeenschapsvorm, die al het negatieve mist van de hedendaagse maatschappij.

De carnavalsviering is een feest van ongeëvenaarde heftigheid en felheid. Carnaval is dan ook “geen vlucht in het gemakkelijke”. Er komt inderdaad inspanning, inspiratie en zelfs transpiratie aan te pas.

Meer dan anders wordt er dialect gesproken, meer dan anders streeft men naar een ongecompliceerd “ohne Kultur”-leven.

De viering wordt ook gekenmerkt door de grote publieke belangstelling. Met carnaval kan men zich door de drukte soms nog slechts verticaal bewegen. Door muziek, dans en drank, maar vooral door de drukte ontstaat een geheel ander sociaal klimaat. De drukte maakt tegelijk intimiteit en de meest vluchtige contacten mogelijk. Een arbeider kan een biertje drinken met zijn burgemeester zonder dat dit gevolgen heeft voor de omgang met elkaar in het normale dagelijkse leven. De contacten zijn minder verfijnd, minder gecompliceerd, meer op de man af, minder conventioneel zonder direct familiair te worden.

Het contact vindt zijn doel in zich, is duidelijk onvoorbereid en niet op de toekomst gericht. De carnavalist leeft op het moment zelf.

Als carnavalist is men best geen toeschouwer, maar een “doener”, een deelnemer aan het grote jaarlijks terugkerende publieke feest. Carnaval gedijt trouwens het beste op straat en niet in gesloten ruimten.

7. Benamingen
Carnaval is een feest gericht op het contrast en het veilig stellen van eigen identiteit. Het benadrukken (hoe kan het anders) dat men als plaats, hoe klein ook, zeer belangrijk is. Men gaat zover – en chauvinisme is uiteraard hier niet vreemd aan – dat men meent een eigen prins te moeten hebben, een eigen bestuurscollege (raad van elf), enz…

Het gebeurt zelfs, en zulks is vooral in Nederlands-Brabant gebruikelijk dat men de naam van de stad of de gemeente tijdens de carnavaldagen omdoopt, en waar de landkaart een ware metamorfose ondergaat Zo worden bijvoorbeeld Den Bosch “Oeteldonk”, Bergen op Zoom “Krabbegat”, Zwolle “Sassendonk”, enz…
Men kan vaststellen dat al die plaatsen zich wensen te kleineren. Men is een donk, een gat (nog kleiner dan een gehucht). Maar… het gebeurt als omkeerritueel en ter meerdere eer en glorie van de plaats zelve. Kortom een soort van onmiskenbare onderstreping van de plaats waar men zo graag minimaal drie dagen in het jaar een maximum aan chauvinisme pleegt.

Behalve de feitelijke aanduiding en het zich daarbij veelal tooien met scheldnamen, kan vastgesteld worden dat bij naamgevingen vaak wordt teruggegrepen naar spotnamen, diernamen, enz…, meestal plaatsgebonden . Daarnaast wordt de groep aanzien als een gilde , een ridderorde, enz waardoor je dus soms erg ludieke benamingen krijgt zoals Gilde van de Maanblussers (=spotnaam voor de Mechelaars), of de Ridders van de Katteköp (= een typische appelvariëteit, maar ook een gebak, uit de fruitstreek tussen Tongeren en Borgloon), of de Orde van de Garnalen (Oostduinkerke bekend om zijn garnaalvissers), enz…

Man kan ook vaststellen dat de wijze waarop namen worden gekozen vaak ook streekgebonden zijn; “Ridderorden” zal men bijvoorbeeld vaker tegenkomen in de streek van Haspengouw, terwijl de “Gilden” meestal terug te vinden zijn in de Antwerpse Kempen.

8. Optochten
Het optochtgebeuren is het meest essentiële element in de carnavalsviering.
Immers over één zaak kan men bezwaarlijk discussiëren. Een volgroeid carnaval zal – dat hoort nu eenmaal bij het wezen van dit feest – veel naar buiten treden, wil men zich manifesteren aan iedereen.

“Carnaval is een expansief feest” zei eens de grote Van Duinkerken. Het gedijt niet – althans niet echt – in de beslotenheid van zalen. Maar niettemin heeft alles zijn tijd nodig.

Een optocht is een merkwaardig fenomeen, het opperste bewijs van de betrekkelijkheid der dingen.

Arbeid van maanden, uitgevoerd en bewerkt door zovele handen, levert een oogstrelende show op voor duizenden en duizenden, en dit vaak voor slechts enkele uren.
Alhoewel een stoet meestal vertrekt van een bepaald punt naar een plaats van aankomst, trekt hij eigenlijk van niets naar nergens. Alleen het samen onderweg zijn telt. Het publiek vormt daarbij een veel wezenlijker bestanddeel dan men zich vaak realiseert. Het zijn niet zomaar toeschouwers. Neen, het zijn levende dijken langs de carnavalstroom. Een boeiende optocht tussen niet-meelevende en niet verklede toeschouwers verschraalt tot een armtierige corso.
De optocht mag dan wel van niets tot nergens gaan, hij heeft wel iets te zeggen. Heelwat wagens dragen vaak ook een duidelijke boodschap uit. Liefst in het dialect. Een optocht die te veel concessies doet om door toeristen begrepen te worden, waarbij Nederlandstalige opschriften de plaatselijke taal verdringen, zullen spoedig veel van hun charme verliezen.

Zulks is ook het geval wanneer optochten bestaan uit teveel Prinsenwagens, omdat behalve de plaatselijke prins, ook vaak andere hoogheden in de optocht meetrekken.
Een ander verschijnsel waar de aandacht op gevestigd mag worden, is dat steeds kostbaardere wagens gebouwd worden om in meerdere optochten te kunnen meerijden. Zolang dit binnen de perken blijft stellen er zich in principe geen problemen. Men moet er wel zorg voor dragen dat de optocht uit zoveel mogelijk groepen van eigen bodem de stoet vormen, zodat deze op een humoristische manier kunnen inspelen op de plaatselijke toestanden.
De meeste optochten vertrekken omstreeks 14u11. Voorafgaandelijk stellen de vele carnavalsgroepen, wagens, en muziekmaatschappijen zich op bij de vertrekplaats. Het is vaak een nogal nerveuze bedoening. De laatste hand wordt gelegd aan de wagens, stoetverantwoordelijken lopen driftig op en neer met walkie-talkies, majoretten staan te trappelen om zich warm te houden, enz…

Ook groepen in de bontste klederdrachten – van origineel tot humoristisch van prachtig tot lachwekkend – gaan zich formeren.
En laten we ze niet vergeten, de onmisbare solisten, die Einzelgänger, de carnavalsindividualisten van het zuiverste ras, die als het ware de gaten opvullen. Zij vormen de lijn die het geheel bij elkaar houdt, staan oog in oog met het publiek en hebben er ook het meeste voeling mee. Het is hetzelfde contact dat de bewoners van de hogere etages via serpentines en confetti tot stand proberen te brengen met de wagens en de groepen. Deze laatste opmerking maakt tevens duidelijk dat juist in smalle “hoge” straten de meest intense optochtsfeer ontstaat.

9. Pluimen
Het dragen van pluimen op een carnavalshoed behoort tot de tradities binnen carnaval, meer bepaald daar waar de invloeden van het Rijnlandse carnaval zich hebben laten gelden.

Carnaval wordt evenwel, zoals vaak wordt gezegd, geregeld via de ongeschreven wetten. Vandaar allicht dat de gebruiken van regio tot regio, zelfs van plaats tot plaats, ook wel eens behoorlijk kunnen verschillen.

Wat het dragen van pluimen betreft wordt evenwel algemeen aangenomen – uitzonderingen zijn er immers altijd – dat de prins “drie” pluimen op zijn hoed draagt. De ex-prinsen, samen met de voorzitter dragen dan twee pluimen, terwijl de effectieve leden van de Raad van Elf “één” pluim dragen.
Aangezien de grootvorst de prins is die het langst geleden prins was en nog actief is in de vereniging, draagt ook hij “twee” pluimen.
De pluimen worden links van de steek gedragen.

10. Raad van Elf
De carnavalsviering is in feite plaatsgebonden, een lokaal gebeuren. Een stad, dorp, gehucht verandert in een rijk, dat bestuurd moet worden. Daarvoor met men beschikken over een schertsregering, de zogenaamde Raad van Elf. Een uitdrukking die zich beperkt tot de West-Europese carnavalscultuur. In feite zijn het de elf adviseurs van de president, de vorst, de voorzitter, of m.a.w. de persoon die de leiding heeft. Hetgeen dus concreet betekent dat de feitelijke leiding in handen is van twaalf personen. Wat klopt er in carnaval wel?

Anderzijds is carnaval het feest van de vergankelijkheid. Een enorme inspanning wordt geleverd voor iets zeer kortstondigs. Een optocht waar maanden aan gewerkt wordt, met een levensduur van slechts enkele uren. Een prinsencarrière die in theorie weliswaar één jaar duurt, maar praktisch slechts enkele dagen intens beleefd wordt. De werkelijke regeringsperiode begint immers met de overhandiging van de stadssleutel en eindigt op dinsdagavond of dinsdagnacht.
Maar om zo een feest te kunnen organiseren is een continu element nodig. Dat is de Raad van Elf, de leutige ploeg met alle daaraan toegevoegde werkgroepen. De leiding daarvan kan zeer verschillend zijn, al naargelang men de representatieve taak en de feitelijke leiding al of niet in één hand heeft gehouden. Is dit niet het geval dan kent men vaak naast de voorzitter een president of een vorst.

Wat de feitelijke oorsprong van de benaming “Raad van Elf” betreft dienen we mogelijk terug te gaan naar het Hertogdom Brabant in de vijftiende eeuw.
Zoals bekend bestond het huidige Nederland en België in de middeleeuwen uit een aantal hertogdommen, graafschappen, heerlijkheden, enz… Een van die hertogdommen was het grote en roemrijke Hertogdom Brabant, dat bestond uit de huidige provincies Noord-Brabant (NL) en de provincies Antwerpen en Brabant (B). Toen de Brabantse hertog Antoon van Bourgondië in 1415 in de slag bij Anzicourt sneuvelde, kwamen de afgevaardigden van de zeven oudste Brabantse steden en de vier grootste abdijen van Brabant bijeen. De hertogin-weduwe mocht niet in aanmerking komen voor de opvolging, wegens haar rechten op Luxemburg. Wel had zij twee zoontjes, waarvan de oudste Jan, nog maar elf jaar was. Op 4 november besloten de Staten deze jongen te erkennen als Hertog van Brabant en, dat het dagelijks bestuur diende waargenomen te worden door de “Raad van Elf” De benoeming van deze raadsleden van de “Raad van Elf” is zeer waarschijnlijk in de daarop volgende week gebeurd, dus op of rond 11 november.

Later heeft deze Raad van Elf nog meer malen opgetreden en de jonge hertog van advies gediend en hem zelfs voor een tijd vervallen verklaard als Hertog van Brabant ten gunste van zijn jongere broer.

11. Carnavalkleuren
Men kan zich terecht de vraag stellen welke kleuren, en waarom, het meest gangbaar zijn in het bonte schouwspel van ons toch wel erg kleurrijk carnaval.
Om het een en ander hieromtrent te weet te komen hebben we ons oor te luisteren gelegd bij carnavaloog en vriend Theo Fransen uit Venlo.
Naar zijn zeggen moeten we eerst een aantal eeuwen terug gaan, meer bepaald tot bij de nar in het kasteel. Het gekkengezelschap van Kleve (1381 – Duitsland) droeg de kleuren geel/rood, terwijl in Frankrijk de narren bij voorkeur groen/rood droegen. Zelfs voor 1450 droeg een gezelschap uit het Franse Dyon de kleuren rood, geel en groen.Kleuren hadden vroeger veel meer betekenis dan vandaag, en waren erg belangrijk als communicatiemiddel. Laten we immers niet uit het oog verliezen dat in die tijd de meeste mensen niet konden lezen en schrijven. Dus ging men andere symbolen dan letters gebruiken, namelijk kleuren. De kleurensymboliek van de nar was dus voor de meeste mensen meteen duidelijk.

Heden te dage vinden we een nar grappig en leuk. Vroeger, namelijk ten tijde van de middeleeuwen, was dat evenwel anders, omdat de nar in feite zowat de verpersoonlijking van duivel was.

Maar hoe kwam de nar eigenlijk aan die kleurencombinatie. Wel in dat verband moet er nagegaan worden welke symbolische waarde elke kleur in zich draagt. De “gele” kleur bijvoorbeeld, staat voor opgewektheid, uitgelatenheid, erotiek, maar ook nijd, terwijl “groen” als positieve kant de jeugdigheid, de vrijmoedigheid, de levensvreugde, de levendigheid, de groei en de bloei vertegenwoordigt, maar aan de andere kant ook staat voor dwaasheid en onervarenheid (denken we maar aan de uitdrukking “een groentje” voor iemand met weinig ervaring).

“Rood” is daarentegen de kleur voor christelijke deugdzaamheid, vurige liefde, ridderlijkheid, maar tevens ook de kleur van de duivel, het vuur, de dood, strijd en oorlog.
Wie nog dieper de geschiedenis induikt komt in India terecht. Ook daar hebben de kleuren geel, rood en groen een bijzondere betekenis. In hun zogenaamde “torans” de decoratieve stukjes die aan de voordeur moeten hangen om de inwoners geluk te brengen, komen rood, geel en groen telkens terug. Bij de Hindoe’s staat rood voor trouw aan God of de medemens. Geel betekent wijsheid. Groen heeft te maken met de natuur, de vrolijkheid, en de gezelligheid. Ook de rasta’s (denken we maar aan Bob Marley) hebben groen, rood en geel als kleur.

Toch vind je bij sommige carnavalsverenigingen ook de “blauwe” kleur terug. Waarom ? Wel volgens onze carnavaloog is blauw ook een erg verantwoorde carnavalskleur. Afgezien van het feit dat sommige verenigingen de blauwe kleur hanteren, omdat dat in het stadswapen verwerkt zit, heeft blauw net als de andere carnavalskleuren een betekenis die zowel een positieve als een negatieve kant heeft. Enerzijds staat blauw voor Maria en de hemel (de uitdrukking “hemelsblauw”) en anderzijds voor krankzinnigheid.

Bronvermelding: Federatie Europese Narren
Additional Information